Rapport i.s.m. derden
- 2025/UPN-2022-013-DK

Megasuppleties en zeewaartse duinontwikkeling. Eindrapportage

Rapport i.s.m. derden

De duinnatuur staat onder aanzienlijke druk door kusterosie, zeespiegelstijging, stikstofdepositie, verzuring, verruiging, toenemende recreatie en ruimteclaims van andere functies. Dit is vooral het geval in smalle duingebieden, waar veel belangen samenkomen. Door de stijgende zeespiegel zal deze druk in de toekomst alleen maar toenemen. In zones waar de duinen smal zijn, is grootschalige dynamiek vaak geen optie vanwege risico’s voor kustverdediging en achterliggend landgebruik.
Maatregelen zoals het verstevigen van de duinenrij of het aanleggen van zeewerende dijken tasten bovendien de natuurkwaliteit aan en beperken de kansen op een natuurlijke ontwikkeling van het kustlandschap.
Zeewaartse strategieën kunnen mogelijk een oplossing bieden: 1) Een zeewaartse uitbreiding biedt veiligheid voor het achterliggende gebied, én schept ruimte voor nieuwe duinnatuur. 2) Een zeewaartse strategie, zoals de aanleg van strandvlakte, duin of duinlandschap met behulp van een megasuppletie brengt minder verstoring teweeg dan verschillende kleine ingrepen, omdat het een grootschalige ingreep betreft die eenmalig wordt uitgevoerd. Aan de hand van 4 kennisvragen, gericht op 1) de benodigdheden voor volledig ontwikkelde duinnatuur in gebied van zeewaartse uitbouw; 2) mogelijke effecten van zeewaartse kustuitbreiding op het achterliggend bestaande duingebied 3) beschouwing van effecten van zeewaartse kustuitbreiding op gradiënten in zoutspray, eolische zanddynamiek en hydrologische condities en 4) effecten van zeewaartse kustuitbreiding met
megasuppleties op zoetwaterzekerheid en waterveiligheid beantwoorden we de centrale vraag in dit onderzoek: Hoe kunnen zeewaartse oplossingen zo worden vormgegeven dat ze optimaal bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe natuur en/of verbetering van bestaande natuurwaarden?
We benaderen natuurwaarde vanuit zowel geomorfologisch als ecologisch perspectief. De variatie aan geomorfologische eenheden geeft een indicatie van het potentieel voor ecologische ontwikkeling: hoe groter de variatie, hoe groter de ecologische potentie. Het aantal geomorfologische eenheden per gebied is gebaseerd op luchtfoto’s en het Algemeen Hoogte Model
(AHN) Nederland. Voor de beoordeling van de huidige ecologische waarde gebruiken we de habitattypen volgens de gebiedsdekkende habitatkarteringen die in het kader van Natura2000 zijn opgesteld. Een volwaardig landschap — met goed ontwikkelde geomorfologie — vormt op termijn de basis voor een rijk en compleet ecosysteem. De combinatie van diverse geomorfologische eenheden en habitattypen bepaalt uiteindelijk de volledigheid van het landschap en daarmee de natuurwaarde.
In dit onderzoek bestuderen we 28 studiegebieden verspreid over de Nederlandse kust, van de Waddeneilanden tot aan de Zeeuwse Delta. Dit zijn allemaal zeewaartse uitbreidingen. Hiervan zijn er 12 aangelegd (dit gaat dan om een aangelegde strandvlakte, aangelegd duin of aangelegd duinlandschap); 7 gebieden zijn gestuurd (ontstaan door sturing van natuurlijke processen) en 9 gebieden zijn natuurlijk ontstaan (dus zonder ingrepen van de mens). Op basis van deze gebieden
stellen we conceptuele ontwikkelingsschema’s op voor de zeewaartse kustuitbreidingen, bij verschillende mate van sturen, voor zowel een aangroeiende (gesuppleerde) kust als een eroderende kust. Aan de hand van deze ontwikkelingsschema’s vergelijken we de aangelegde en gestuurde studiegebieden met de natuurlijke studiegebieden en bestuderen we afwijkingen van ontwikkeling die we in de gestuurde en aangelegde gebieden observeren. Tot slot leiden we lessen af die van
toepassing zijn op megasuppleties.

Download
Heeft u een vraag over deze publicatie?